Begrafenissen zijn, hoe paradoxaal dat ook klinkt, vaak de plaatsen waar verwaterde relaties opnieuw tot leven komen. Tussen verdriet en herinneringen vinden mensen elkaar terug. Wanneer ik terugblik op de afgelopen vijftien jaar, besef ik hoeveel jeugdvrienden mij inmiddels zijn ontvallen. Dat besef laat niemand onberoerd; het houdt je onvermijdelijk ook een spiegel voor.
Onlangs woonde ik de begrafenis bij van een jeugdvriend. Daar ontmoette ik, na bijna 55 jaar, mijn voormalige klasgenote Shirley. Zij woont tegenwoordig in Zaandam. Ons onverwachte weerzien was een lichtpuntje op een dag die verder in het teken stond van afscheid.
Tijdens het napraten in de koffieruimte vertelde zij dat zij mijn columns al jarenlang volgt. Dat verraste mij oprecht, al hield ik die verbazing voor mij. We spraken over mijn publicaties rond de herdenking van de raketlanceringen van 1965 en over het feit dat ik daarna nauwelijks nog iets had geschreven.
“Metaalmoeheid,” zei ik.
“In de techniek is metaalmoeheid een verraderlijk verschijnsel. Een brug, een stalen balk of een vliegtuigonderdeel wordt jarenlang blootgesteld aan dezelfde terugkerende belasting. Van buiten lijkt alles onveranderd, terwijl zich diep vanbinnen onzichtbare haarscheurtjes vormen. Totdat op een dag de veerkracht verdwenen is en het materiaal met één klap bezwijkt.”
Ik zweeg even en vervolgde:
“Zo voel ik mij inmiddels ook als columnist. Vijftien jaar lang heb ik geschreven over de achtergestelde positie van Coronie en over de eindeloze stroom beloften die vanuit Paramaribo werden gedaan. Beloften die stuk voor stuk onvervuld bleven.
Wie mijn columns uit die periode terugleest, zal versteld staan van de tsunami aan toezeggingen, plannen en ambitieuze aankondigingen die uiteindelijk nergens toe hebben geleid. Niet omdat de Coronianen niet met elkaar wilden samenwerken (een standaard verwijt), maar omdat veel van die fraaie plannen achteraf niet meer bleken te zijn dan een dekmantel voor ordinaire politieke oplichterij.”
Shirley knikte. Meer woorden waren niet nodig.
Ons gesprek zette mij aan het denken. Was mijn groeiende cynisme er misschien de oorzaak van dat ik het nieuws over Coronie niet meer zo nauwlettend volgde als vroeger? Ik besloot het uit te zoeken.
Ik zocht bij thuiskomst het internet af, eenvoudigweg met het trefwoord ‘Coronie’.
IK vond niets interessants, werkelijk niets. Geen grootse aankondigingen. Geen spectaculaire plannen. Geen nieuwe beloften.
Het leek er dus op dat de nieuwe regering wijselijk had afgezien van het bewandelen van het inmiddels platgetreden pad van de loze belofte. En juist dat inzicht verklaarde mijn gevoel van defaitisme. Ik had geen tegenstander meer.
Geen luchtkastelen meer om door te prikken. Geen mooie woorden meer om aan de werkelijkheid te toetsen. De rek was hierdoor eruit. Want hoe lang kun je dezelfde misstanden blijven beschrijven zonder zelf murw te worden?
Toch zijn het ontmoetingen zoals die met Shirley die een mens weer op de been helpen. Zij herinneren je eraan dat schrijven niet alleen bedoeld is om bestuurders ter verantwoording te roepen, maar ook om herinneringen levend te houden, ontwikkelingen vast te leggen en mensen een stem te geven. Dat er lezers zijn die je woorden onthouden, zelfs wanneer je zelf denkt dat ze allang zijn weggeëbd.
Dat besef gaf mij meer terug dan ik had verwacht.
Dus ja, ik pak de draad weer op.
En degenen die dachten dat de metaalmoeheid definitief had toegeslagen, zullen nog even geduld moeten hebben. De constructie staat nog overeind.
Herwin Hooplot