De Kanaalkwestie Rooms en Hernhutter 3/3

Koloniaal Nieuws- en Advertentieblad SURINAME, No. 65., 73ste Jg. Anno 1921  d.d. 16 augustus 1921

De Kanaalkwestie Rooms en Hernhutter:  3/3

Verdeel en heers

Met groote belangstelling volgde ik in de verschillende nieuwsbladen de z. g. “kanaalkwestie” in Coronie. De Directeur van O. W.en V. bood één gulden aan voor zekeren arbeid aan het kanaal. De 40 mannen, die hiervoor waren aangeworven, weigerden, omdat h.i.  het aangeboden loon te laag was. Er ontstond dus een loonkwestie tusschen werkgever, Koloniaal Gouvernement, vertegenwoordigd door den Directeur van O. W. en V., en werknemers, in dit geval een veertigtal Coronianen.

Hoe moest deze kwestie nu worden, opgelost?

Langs den gewonen weg als bij het uitvoeren van andere werken b. v. den jaarlijkschen schoonmaak v/h Zoetwaterkanaal, den weg  van geven en nemen. Het aangeboden loon was – gezien den aard van het werk – te laag, de eisch daarentegen wel wat hoog.  De zaak was dus een heel eenvoudige.

Meer dan eens geschiedde zulks in Coronie onder verschillende Distr. Commissarissen. Nooit echter kreeg een dezer hoogwaardigneidsbekleeders het  in zijn hoofd voet bij stuk te houden en dan de hulp van een R. K priester of een Hernhutter leeraar in te roepen. Hiermede legden zij zeer zeker wijs beleid aan den dag.

Kol. en Distr. bestuur hebben zelfs het geringste in acht te nemen, dat in dit district tusschen de belijders van den R. K. en die van den Prot. Godsdienst de reeds bestaande gespannen verhouding kan verscherpen. Dit werd evenwel uit het oog verloren. En hiermede beging de betrokken autoriteit met het doel eenige guldens minder uit te geven een betreurenswaardige fout. Want voor velen beteekent het en bij velen heet het: de Roomschen bobben hebben Coronie gered, wat in het onderhavig geval gelijk staat met: de Protestanten (lees : Hernhutters) waren de weigeraars. Een verwijt dus.

Mijn vriend „Coroniaan” noemt het, optreden van pater De Kort met zijn 40-tal mannen een mooie demonstratie. Dat was ze ook en het is mijn stellige overtuiging dat het verschaffen van de gelegenheid zoo’n demonstratie te houden, speciaal in Coronie en onder de huidige omstandigheden, meer waard is dan geld.

Coroniaan zinspeelt op een paar gevolgtrekkingen, waartoe men naar aanleiding van de demonstratie zou kunnen komen, o. a deze:  „dat de onwil om te werken bij het linkerhalfbataljon niet bestaat; ” m.a.w. dat die onwil bij het rechterhalfbataljon bestaat. Coroniaan maakt hier van een beeld gebruik uit zijn militaire loopbaan of uit den tijd, dat hij als luitenant b/d Gewapende Burgermacht de Coronianen ter overwinning geleidde. Ik stel mij het beeld zóó voor:  het beruchte Kanaal vormt de scheiding tusschen beide bataljonshelften : het linkerhalfbataljon met pater De Kort en het rechter met den WelEerw. Heer Zschaschler als bevelhebber.

En nu is mijn vraag: toen de 40 R K. en Hernhutter arbeiders uit beide bataljonshelften door den opzichter (zelf R. K.) aangeworven, ter oorzake v/h geringe loon weigerden in de modder te gaan baggeren —, heeft hij, die met de uitvoering van het werk belast was, zich tot beide commandanten gewend?

Heeft hij zich ook gewend tot den Commandant v/h linkerbataljon, den Hernhutter-leeraar, onder wiens manschappen o. a. een vereeniging bestaat, voerende den schoonen naam W.I.K (Willen Is Kunnen) ? Of werd alleen Mary’s hope gekend? Ongetwijfeld zal de vertegenwoordiger van de Pers ons na zijn terugkeer met het hooge gezelschap de juiste antwoorden geven.

„Voorheen en Thans” ! Zoo betitelde Stuger zijn boek over Coronie. Ik hoop, dat Bestuursambtenaren in hun officiëele handelingen thans tegenover de twee bevolkingshelften van dit district hetzelfde standpunt als voorheen zullen blijven innemen. In de rubriek „Het Podium” werd in het voorlaatste nummer van „De Surinamer’ een artikel aan Coronie gewijd. De geachte inzender had het ook over de verbinding over land van dit district met de Coppename. Het is den  inzender (en velen wellicht) onbekend, dat men tijdens het verblijf van het S. S. S. in onze Kolonie getracht heeft van Coronie uit een weg te traceeren  naar de Coppename; de heeren  v/h  S. S. S. zouden dan langs weg Coronie binnenvallen.

Coroniaan verzuimde zijn lezers hiervan het een en ander te vertellen, alsook van den uitslag van de Groote tentoonstelling in October 1919 gehouden door de Landbouwvereeniging  „Nieuw-Leven.  Ik vestig de aandacht van de heer Mc. May ook op deze punten.

CORONIE-VRIEND

Bladwijzer de permalink.

Reacties zijn gesloten.