Slavenhouders in Coronie: uitsluitend Schotten en Engelsen!

 

Ter overdenking! 1 juli 2021

Als je het als Surinamer hebt over het slavernijverleden in Suriname, dan denk je automatisch aan Nederland. Maar Coronie is nu eenmaal op veel gebieden een vreemde eend in de Surinaamse bijt: altijd anders dan anders. Ook op het gebied van het slavernijverleden.

In Coronie had je eigenlijk uitsluitend Engelse en Schotse slavenhouders. Ook op Schotse genealogiesites vind je aanwijzingen hiervoor. De beruchtsten onder hen waren de MacDonalds.

Suriname was in de periode 1799-1816 een Engels protectoraat (1799-1802) en had een Engels tussenbestuur (1802-1816). Het was juist in deze – voor hen gunstige – periode dat Engelsen en vooral Schotten voet zetten in Nickerie en zich in 1808 vestigden in Coronie. Zij waren afkomstig van de nabij gelegen Engelse kolonie Berbice. Nickerie en Coronie heetten toen nog Neder-Nickerie (Nickerie) en Opper-Nickerie (Coronie).

De slavenarbeid werd volgens Stuger p.47 verricht door tot slaaf gemaakte Afrikanen die waren weggelopen van de nabij gelegen Engelse kolonie Berbice, maar door de Indianen van Nickerie gevangen waren genomen. Ook werden toen slaven uit Granada gehaald.

Berbice, Demerary en Essequibo werden in 1831 samengevoegd tot de kolonie Brits-Guyana, het huidige Guyana. Daar was de slavernij reeds in 1833 afgeschaft, terwijl dit (aan de overkant) in Coronie  feitelijk pas in 1873 het geval was, omdat voor Coronianen de uitwerking van het Staatstoezicht 1863-1873 in de praktijk  neerkwam op een verlenging van de duur van de slavernij tot 1 juli 1873. Vanwege de geïsoleerde ligging van het district, had namelijk niemand de feitelijke mogelijkheid te voldoen aan de voorwaarden om zich aan het staatstoezicht te onttrekken.

De eerste aanplanting van katoen in Coronie geschiedde door de Schot Adam Cameron op het lot No. 210, en sedert 1808 bekend onder de naam plantage Burnside.  Vanuit plantage Burnside is Coronie in de 19e Eeuw vanuit oostelijke richting tot ontginning gebracht door de tot slaaf gemaakte voorouders van de Coronianen. Burnside is tegenwoordig de eerste vestigingsplaats in Coronie die men aandoet wanneer men met de auto vanuit Nickerie richting Paramaribo rijdt.

“Burnside” is een naam die in Schotland meerdere keren voorkomt. Het is een wijk in Glasgow, of een district van Thurso, Caithness, in de Schotse hooglanden. Of Burnside in South Lanarkshire (bron: Philip Dikland 2010). Dikland heeft een uitgebreide beschrijving gegeven van de plantages in Coronie en hun eigenaren.  Tussen 1801- en 1873, waren er ten minste 16 plantages. Alle eigenaren van die plantages bleken Engelsen en Schotten te zijn.

Een website uit Schotland “Slaves and Highlandersvermeldt de volgende plantagenamen die hun oorsprong vinden in Schotland: Clyde, Novar, Belladrum, Bantaskine, Cardross Park, Moy, Hamilton en Inverness.  Slechts drie plantages waren volgens de website vernoemd naar plaatsen in Engeland: Oxford, Leasowes and Totness. Welgelegen was de enige plantage met een Nederlandse naam (Van Tholl) . Reeds in 1817 werd deze plantage verlaten.

Het ’s-Lands bestuur was na 1816 weliswaar weer  in handen van Nederlanders, maar de Engelse en vooral Schotse aanwezigheid in Coronie was toch wel overheersend te noemen. Pas op 10 oktober 1851 werd Coronie formeel een district en bestuurd door een landdrost.  Volgens Stuger p.57, was de landdrost meestal een planter (lees slavenhouder) De plantage-eigenaren hadden allemaal Engelse namen. Veel Coronianen hebben hierdoor Engelse of typisch Schotse familienamen met als voorvoegsel Mac: MacAndrew, MacFall, MacLean, MacIntosh, MacDonald, MacBean.

Mac is volgens Google: het Goidelische woord voor zoon. In veel Ierse en Schotse namen wordt het gebruikt als voorvoegsel, gevolgd door (de genitief van) de naam van een (legendarische) voorouder. De naam Mac Seán betekent dus hetzelfde als Johnson, Fitzjohn, Ivanovitz of Jansen. Daarnaast heb je in Coronie nog talloze andere Engelse namen zoals: Nelson, Bobson, Harrijson, Tash, Tay,  Taylor, Acton, Molly.

Het schijnt dat de Schotse en Engelse slavenhouders de wreedsten waren in Suriname. In ieder geval was het een vreselijk zware straf voor een slaaf te worden verkocht aan een slavenhouder in Coronie of Nickerie: “enfin de slaven zijn hoofdgewijze of per familie verkocht, meest voor suikerplantagien, daar de slaaf op tegen heeft , en verscheidene naar de districten Coronie en Nickerie, dat voor den slaaf eene verschrikkelijke straf is.” 

Een verteller, wat wij tegenwoordig een columnist zouden noemen, schreef in het Provinciale Drentsche en Asser courant van 02-05-1855, het volgende over de wreedheid van de slavernij in Suriname, specifiek over Coronie: “Er woont tegenwoordig op de plantagie Moy, als eigenaar, zekere Macdonald, een schot van geboorte. (Gelukkig zijn de meeste slavenbeulen geen Nederlanders). Deze heeft door eene stelselmatige tyrannie in te voeren, zulk eene vrees onder zijne slaven gekregen, dat, hoe hij hen ook mishandelt en veel zwaarder werk oplegt, dan zij behoefden te verrigten, geen hunner het zal wagen, hem aan te klagen.”.  Aan deze Macdonald en zijn entourage heb ik in het verleden een heel epistel gewijd.

Er zullen best wel Nederlandse slavenopzichters (basya’s) en overheidsambtenaren als facilitators bij betrokken zijn geweest, maar men mag er toch rustig van uitgaan dat in Coronie uitsluitend Schotse en Engelse slavenhouders hebben huisgehouden. Dit in aanmerking nemende zouden organisaties in Coronie misschien naar moeten streven banden aan te gaan met overheden en Schotse NGO’s, want dit land is zeker schatplichtig aan Suriname, meer specifiek  aan Coronie,  in de vorm van excuses en herstelbetalingen. Zeker wanneer je de wreedheden, maar ook de opbrengsten van de katoenplantages op basis van slavenarbeid nagaat. Volgens Stuger p.57: “Dit district bracht het eene jaar door het andere 2000 á 2500 balen schoone katoen op, welke balen door elkander 300 Amst. ponden wogen”.  De suikerproductie was ook erg hoog. Wie weet, kan het leggen van contacten met de Schotten enige ontwikkeling brengen voor Coronie als wiedergutmachung van hun bijzonder wrede slavernijverleden in Coronie .

Herwin Hooplot

Bladwijzer de permalink.

Reacties zijn gesloten.